Legende 2 over Mulaa - kumpulan-akoon-pat.nl

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Legende 2 over Mulaa

Akoon vroeger > 5 1605; Komst Nederlanders

Legende 2 van de negeri Mulaa
Van het verhaal of legende van de Mulaa-negeri en haar verdwijning bestaan meerdere versies die in kern niet van elkaar afwijken.
Toch is het de moeite waard de verschillende versies die zijn overgeleverd hier weer te geven.
Het is bedoeld als vergelijkingsmateriaal. Deze versie komt uit het boek Nusalaut

Op een dag kwamen vier mensen uit West-Ceram, Hoa Moal, op Nusalaut in de negeri Mulaa aan.
Deze vier mensen waren twee broers genaamd Lunese en Waatal en hun zuster Silawane.
De vierde persoon was de radja Mata Ampat (Matahaa).

De vrouw zei tegen 'de anderen: 'laten wij maar hier blijven'.
Waatal zei, dat het goed was, hoewel er in de bergen al wel negeri’s waren.
Zij gingen er heen en dwongen de bevolking van de negeri's zich aan hen te onderwerpen.

Een der broers, genaamd Lunese, die eveneens een radja was, trouwde een vrouw uit Iha en ging met haar mee naar haar dorp.
Een kapitan, een vorst van Lesi-Nusa, genaamd Loloho Warlau, trouwde een vrouw uit Tuhaha, genaamd Aisapa en ging naar Tuhaha.
Waatal heeft tijdens zijn heerschappij heel veel mensen van Nusalaut ter dood gebracht.
Loloho Warlau wist hiervan niets.

Op een dag toen Loloho Warlau aan tafel zat, viel de minjak karamat (een olie) over zijn kleding en op dat moment wist hij dat er iets met zijn volk op Nusalaut was gebeurd.
Loloho Warlau besloot terug te keren naar Nusalaut.
Hij voer, met zijn arumbaai naar Tandjung Uruputil, vanwaar hij naar Tandjung Tolo bij Nalahia zwom!
Hij ging naar de negeri Lama in de bergen.
Daar ontmoette hij de malesi's (krijgers).
Zij dachten eerst dat hij radja Matahaha was en begonnen met hun wapens een krijgsdans, de tjakalele.
Loloho Warlau antwoordde: “ik ben Loloho Warlau, si ketjil.
Leg jullie wapens neer en laten wij rond de tafel gaan zitten en pinang eten”.
Nadat zij pinang hebben gegeten, vroeg Loloho Warlau tot twee keer toe aan de malesi's, wie van hen tegen radja Matahaa kon strijden.
Zij zeiden dat geen van hen dat aan kon.

Op een dag stuurde Loloho Warlau een boodschap aan de Mata Ampat, waarin Loloho zegt, dat hij de radja Mata Ampat,
als een groot iemand uit Hoa Moal, uitdaagt voor een gevecht.
Radja Mata Ampat antwoordde: “ik neem de uitdaging aan. Zoekt Gij een stuk grond uit waarop gevochten kan worden.”
Loloho zocht en vond een stuk grond, dat heette Tartapa, wat betekent, plaats waar gevochten wordt.

Op de afgesproken dag, bevochten zij elkaar, maar geen van beiden kon winnen.
Radja Mata Ampat vroeg Loloho weer om een plaats voor een nieuw gevecht.
Loloho Warlau kreeg op een dag een helder inzicht.
Hij nam de gedroogde sagotak van de plaats, waar de eerst keer werd gevochten en bracht die over naar een andere plaats genaamd Nasapoetih.
Hij liet de boodschap overbrengen dat hij een plaats had gevonden voor een nieuw gevecht.

Op de dag van het duel, stonden zij opnieuw tegenover elkaar.
Radja Mata Ampat zei tegen Loloho Warlau: “als gij een kapitan bent, steek dan uw speer in de grond met het punt naar boven.
Probeer dan eens op de punt van de speer te springen en er op te zitten”
Zo gezegd deed Loloho Warlau.
Daarna trok hij zijn speer weer uit de grond en er ontsprong een klein riviertje.
Daarop vond het gevecht plaats tot laat in de avond, maar weer kon geen van twee winnen.

Opnieuw kreeg Loloho een helder inzicht.
Hij wees een volgeling (anak pengikut) naar een plek en noemde hem Soumokil.
Hij zei tegen de anak pengikut: "als ik word gedood, moet je naar de malesi's gaan en het hun vertellen".
Bij het daarop volgend gevecht met radja Mata Ampat lokte Loloho Warlau hem naar zich toe tot de daoen leri van de sago.
Loloho wilde toeslaan en radja Mata Ampat sprong op de daoen leri.
Daarop trok Loloho Warlau de daoen leri onder hem vandaan en radja Mata Ampat gleed daarover en viel.
Loloho sprong op hem en sloeg toe. Radja Mata Ampat gaf zich gewonnen.
Hij zei: “neem mijn parang (zwaard) en hak mijn hoofd af. Gij moet mijn lijk begraven”
Nadat hij dit gedaan had riep Loloho de anak pengikut te komen met een kamboti (een gevlochten mand van sagobladeren).
Hij stopte daarin het hoofd van de radja Mata Ampat en zij gingen ermee naar huis.

Zij kwamen even later op een plek in het oerwoud en hingen daar de kamboti met het hoofd erin aan een boom.
Sindsdien wordt de plek genoemd Huni Runi, dat betekent “de plaats waar het hoofd werd verborgen”.
Tegenwoordig heet die plaats Hun Runi.
Zij liepen verder en kwamen op een plek genaamd Saela waar zij de malesi's ontmoetten.
De malesi's vroegen tot twee keer toe aan de twee krijgers: “hebben jullie radja Mata Ampat gedood?”
Loloho liet de anak pengikut het hoofd van radja Mata Ampat halen.
Daarna gingen de malesi's met Loloho in beraad.
Zij stelden: ”het hoofd van radja Mata Ampat mag niet worden begraven, voordat negeri Mulaa geheel is vernietigd”.
Zij besloten om middernacht negeri Mulaa geheel te vernietigen.

Op dat moment was radja Lunese te Iha ter gelegenheid van een feest.
Hij gaf het gezag over de negeri over aan kapitan Tahapary en Waatal.
De rook van de verwoeste negeri Mulaa steeg op en zweefde naar Iha.
Toen radja Lunese dit zag zei hij aan tafel “Oh, deze rook laat zien dat mijn negeri Mulaa geheel is vernietigd”.
Hij ging daarop op een kora-kora-schip naar Nusalaut en zag dat zijn negeri Mulaa er niet meer was.

Bron: Boek Nusalaut hoofdstuk 13



 
 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu